Diana

Het marmeren beeld stelt Diana – godin van de jacht - voor, de linkerhand rust op een boog. Het geplooide gewaad (met sleep aan de achterzijde?) wordt met de rechterhand omhoog gehouden. Het gezicht is naar rechts gewend. Het haar is opgestoken, in de nek een knot, bovenop een ornament/bloem. De rechterknie is licht gebogen, waardoor de rechterhiel los van de grond komt. Het linkerbeen staat iets naar voren. De voeten zijn ongeschoeid.

De sokkel is van zandsteen en is aan de vier zijden voorzien van een cartouche. Het bovendeel gaat trapsgewijs van 45x42 cm (iets meer dan de maat van het grondvlak van het beeld) naar een maat van 50x50 cm. De hoeken zijn afgeschuind. Daaronder een vrij schuine versmalling naar een richel. Dan volgt een vrijwel recht deel met de cartouches. De onderkant van de sokkel wordt weer breder en staat op een (losse?) grondplaat. De maker is niet bekend, het beeld is waarschijnlijk eind 19e, begin 20e eeuw gemaakt.