Historie
Wildenborch wordt het eerst vermeld in 1372, wanneer een Sweder Rodebaert veiligheid ‘met den hues ende goeder ter Wildenborch’ wordt toegezegd. Voordien heeft echter ter plaatse een veel oudere versterkte plaatst bestaan. Men heeft Sweder vroeger gehouden voor een lid van het geslacht van Wisch. De voornaam kwam in die familie wel voor, maar wij kennen ook een broeder van Sweder, Godert Rodebaert ook genaamd Huppen, die met Sweder op de Wildenborch woonde. Sweder leefde in onmin met Deventer en Zutphen ; hij was een typisch roofridder, en zelfs aan dat ridderschap mag men twijfelen.Hendrik van Wisch, vermeld op de Wildenborch in 1449, was Sweder’s opvolger. Sindsdien bleven huis en kring van de Wildenborch een aanhangsel van de hoogheid Wisch, en deelden zij de lotgevallen van de bannerheren van Wisch, roerige heren, die in de strijd tussen Bourgondië-Habsburg en Egmond om Gelre-Sutphen de zijde der Bourgondiërs kozen. Door zijn ligging in een uitgestrekt moeras was de Wildenborch een zeer sterk slot. In 1449 verbond keizer Maximiliaan de hoge heerlijkheid over Barchem en het Sek, Mossel en Wierssebroek aan de Wildenborch. In 1509 werden daar Vorden en Ruurlo aan toegevoegd. Deze uitbreiding tot een der grootste heerlijkheden van de Graafschap heeft echter nooit feitelijke gevolgen gehad. De rechten aan het huis verbonden bleven zich beperken tot de zogenaamde Kring.
In 1512 werd de Wildenborch een open huis voor de Hertog; daarna zijn om het kasteel wallen met rondelen op de hoeken aangelegd en is op die wal het poortgebouw geplaatst, dat thans het middengedeelte van het huis uitmaakt.De laatste eigenares uit het geslacht Wisch was Ermgard, beleend in 1544, gehuwd met Georg, graaf van Limburd-
Stirum, die door dit huwelijk zeer belangrijke Graafschapse bezittingen in zijn geslacht bracht, naast de Wildenborch: de bannerheerlijkheden Bronkhorst en Wisch, de uitgestrekte heerlijkheid Borculo en de heerlijkheid Lichtenvoorde. Ermgard werd op de Wildenborch en in haar verder groot bezit opgevolgd door haar kleinzoon Joost, graaf van Limburg en Bronkhorst, die in 1615 met de Wildenborch werd beleend. De laatste eigenares uit dit tweede geslacht van heren van de Wildenborch was Maria Elisabeth, gehuwd met Hendrik van Nassau-Siegen (broeder van de Braziliaan en de Veldmaarschalk Willem). Zij werk als weduwe beleend in 1662. Voor de eigenaars uit beide geslachten was de Wildenborch slechts een ondergeschikt neven-bezit. Zij resideerden op het slot ter Borch, of op dat van Borculo.
Vermoedelijk ter voorbereiding van een verkoop droeg Maria in 1693 al har allodiale en feodale bezittingen om de Wildenborch als één groot leen aan de Staten op, een uitzondering in de Gelderse leenpraktijk. In 1700 verkocht zij het gehele goed met de heerlijkheid Lichtenvoorde aan de Westfaalse Frederik van Heyden, uit de tak Bruch. Na de dood van diens broeder, begon een reeks processen om het bezit van huis en goed, die niet tot een oplossing leidden, waarom tenslotte, in 1757, door de erven van Heyden de veiling werd aangekondigd van het Wildenborchs bezit, waartoe toen niet meer een kasteel behoorde (dat nog in de Munsterse oorlogen een rol had gespeeld), doch slechts een ‘convenabele’ rentmeesterswoning, zijnde de oude voorpoort. Het goed kwam in handen van de broeders Soiron, leden van een Maastrichtse ingenieurs-architecten familie, die het wel op de 5000 houwbare eiken gemunt zal hebben gehad. Zij verkochten het kaal gehakte goed in 1768 aan de kolonel Albert Dominicus, graaf van Limburg Stirum, die aldus een der vele, geleidelijk verloren gegane Grafschapse bezittingen van zijn geslacht weer in de familie bracht. Hij begon met ijver aan een nieuwe beplanting en de afwatering van zijn bezit, maar overleed reeds in 1776; aan de bouw van een passen woonhuis was hij niet toegekomen. Dat zijn bezit in waarde steeg van fl 50.000,– tot bijna fl 100.000,– is wel een bewijs van zijn ijver voor zijn land.
In 1780 verkochten zijn weduwe en kinderen huis en goed aan de kolonel en kapitein ter zee Damiaan Hugo Staring en diens echtgenote Sophia Wynanda Verhuell. Zij bouwden de beide vleugels ter weerszijde van de bestaande oude voorpoort en vervingen geleidelijk de oude boerderijen door nieuwe. Staring overleed in 1783 en zijn weduwe, die hertrouwde met Mr. W.C. Broers, zette het werk voort. In 1791 kreeg de enige zoon, Mr. Antoni Christiaan Winand Staring, na verkregen venia aetatis, het goed in beheer. Hij bleef daar wonen tot zijn overlijden in 1840. Typisch physiocraat gaf hij zijn beste krachten aan bebossing, ontwatering, grondverbetering, zich zoveel mogelijk losmakend van functies, die veelvuldige afwezigheid verlangden. Hij is echter vooral als dichter bekend gebleven. Terwijl het de heren van Dorth en van Verwolde gelukte aan de kringen van hun kastelen bij revolutie het karakter van een burgelijke gemeente te geven, gelukte dat bij de Wildenborch niet. De kring liggend onder het Scholambt Lochem werd onder het keizerrijk gevoegd bij de gemeente Laren, later bij de gemeente Vorden.Na zijn overlijden en dat zijner weduwe in 1843, werd het goed onder de erven verdeeld. De bijna meerderjarige, op de Wildenborch als wees opgevoede kleinzoon, Mr. Jan Isaac Brants, verkreeg het huisperceel met omgeving. Bij zijn meerderjarigheid ruilde hij ander bezit tegen kindsdelen van zijn ooms en tantes en verkreeg zo weer ongeveer 450 ha. van het oorspronkelijk ongeveer 600 ha. grote landgoed. Hij vergrootte het huis door aanbouw van een tuinkamer en door verhoging van de oude voorpoort tot een toren, onder de leiding van de architect Heynink, een veelbelovend, maar jonge overleden bouwmeester. Brants overleed in 1901; zijn weduwe, met wie hij ‘goede bruiloft had gevierd’, in 1907.
Van 1791 tot 1907 hebben dus slechts twee gezinnen op de Wildenborch gewoond. In 1907 werd het landgoed in land- en houtpercelen verkocht. Toen verdween het unieke bos achter het huis, dat weer werd ingeplant, maar tevens de mooie wegbeplantingen langs de door de kopers versmalde of vergraven wegen, de zware eiken bij de oude boerderijen en talrijke kleinere bospercelen. Bij de veiling naastte een van de zoons, Mr. E.R.E. Brants, het huisperceel met ongeveer 50 ha. Hij kocht het oude geboomte om het huis terug en begon met de inplantien van het vroegere ‘bosket’. Na zijn overlijden in 1924 had opnieuw een veiling plaats, waarbij het grondbezit weer werd gehalveerd. Nadat twee nieuwe eigenaars elkaar snel waren opgevolgd en de ondergang van het kasteel onvermijdelijk leek, kochten Mr. Adolph Staring en zijn echtgenote Jacoba Henriëtte Magdalena de Mol van Otterloo het kasteel met park en enig bos in 1931, anderhalve eeuw na de belening van Damiaan Hugo Staring, in wiens nageslacht van de namen Staring en Brants het huis – met uitzondering van zeven jaren – is gebleven. Sinds 1931 vond een geleidelijk herstel plaats, onderbroken door oorlogs- en naoorlogse jaren.
In 1971 kreeg de Wildenborch nieuwe bewoners: Ir. Damiaan Maurits Winand Staring, volle neef van Adolph Staring, en diens echtgenote Elise Margaretha Valken. Vanaf die tijd onderging de Wildenborch talrijke bouwkundige verbeteringen. In 1976 werd besloten huis en goed onder te brengen in een familiestichting, Stichting de Wildenborch. Zo werd een gezonde basis gelegd voor het behoud van de Wildenborch voor latere geslachten. Jaren waarin zowel het huis als het park met inzet, liefde en toewijding werd onderhouden volgden.
Van 2003 tot 2006 zijn in het bouwhuis en in het kasteel ingrijpende renovatiewerkzaamheden uitgevoerd. Al het leidingenwerk werd vernieuwd; de woonruimten, keukens en badkamers werden naar de levensstandaard van deze tijd aangepast. Aan de voorzijde werd een lifttoren geplaatst, om zo het kasteel ook toegankelijk te maken voor slecht ter been zijnde mensen.
De huidige bewoners, Jennine en Evert-Kees van de Plassche-Staring hebben de restauratiewerkzaamheden begeleid. Ook in het park wordt thans groot onderhoud verricht. Activiteiten die de komende jaren hun volle aandacht zullen vragen en die nodig zijn om de geliefde Wildenborch ook voor de komende geslachten te bewaren.